Een crediteur die een schuldregeling weigert kan worden veroordeeld in de kosten van een proces

Het bekende uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser vrijstaat om te verlangen dat 100 % van zijn vordering, met rente en incassokosten, wordt voldaan. Als een schikkingsaanbod voorziet in een aanzienlijk lagere uitdeling op een uitstaande vordering dan zal de crediteur weigeren. Maar ons recht kent het zogenaamde dwangakkoord (in artikel 287a van de Faillissementswet) als het gaat om een debiteur die in een problematische schuldensituatie verkeert. Een ondernemer kan zelf in zo’n crediteurenpositie zitten, maar natuurlijk omgekeerd ook zelf zo’n debiteur zijn. De vraag die de rechter zich dan stelt is: Worden door de weigering de belangen van de overige schuldeisers en van verzoeker geschaad ? En zo ja, hebben die belangen dan voorrang boven de belangen van de crediteur?

Recente zaak

In een recente zaak overwoog de Rechtbank te Utrecht dat het schikkingsaanbod aan de schuldeisers het maximum haalbare was in deze omstandigheden. En dat de crediteur alleen maar minder zou kunnen krijgen, als het aan zou komen op een wettelijke schuldsaneringsprocedure van drie jaar lang. Dit is een zeer belangrijk gegeven in de dwangakkoord-afweging.

 

Belangenafweging

Volgens de crediteur (een verhuurder) zou de debiteur – zodra hij tot de arbeidsmarkt is toegetreden – aan zijn schuldeisers een hoger aanbod kunnen doen. De rechtbank was echter van oordeel dat dit niet erg aannemelijk was: het vinden van betaald werk op grond van het problematische verleden van de debiteur, zijn situatie en zijn leeftijd was onwaarschijnlijk (hij was bijna 66 jaar). Redelijkerwijs was dus niet te verwachten dat hij voor zijn schuldeisers echt meer zou kunnen sparen. Er waren ook geen vermogensbestanddelen meer aanwezig die iets zouden kunnen opleveren. De crediteur kon daarom in redelijkheid worden verplicht om aan het akkoord mee te werken, en de rechtbank wees het verzoek dwangakkoord toe.

 

Leeftijd kan meespelen in proceskostenveroordeling

Ook was verzocht om de crediteur te veroordelen in de kosten van de procedure. Lid 6 van artikel 287a Faillissementswet geeft daar een wettelijke grondslag voor. In de omstandigheden van dit geval waar evident is dat verzoeker binnenkort de pensioengerechtigde leeftijd bereikt en waarin de verhuurder niet heeft gemotiveerd waarom de debiteur nog zou beschikken over vermogen, is de rechtbank van oordeel dat voor de verliezende partij een veroordeling in de proceskosten moet worden uitgesproken. De rechtbank beschouwt de wettelijk verplichte begeleiding in de minnelijke schuldhulpverlening als een soort rechtsbijstand en knoopt dus aan bij het tarief van de verplichte procesvertegenwoordiging, in dit geval ruim € 600,-. Deze uitleg vormt een extra prikkel voor crediteuren om in ieder geval op gemotiveerde wijze een schikking te weigeren en om hun knopen goed te tellen alvorens het op een behandeling van een verzoekschrift dwangakkoord aan te laten komen.

Bron: Actuele Artikelen